
Kaija:
Nee, geen tijd voor interview nu. Grote haast, belangrijke dingen te doen ja. Leg het u nog wel een keer uit. Salut!
Digitale Poezenkrant

Pim:
Ja, ik dacht al: waar blijft ze nou! U komt zo vaak langs maar de laatste tijd is het niet meer zo vaak. Hoezo is het mijn schuld? Ach, uw Tokkie Troy durft niet meer langs mijn huis? Ik heb haar geschoffeerd? Ja, ik kan me nog vaag herinneren dat ik haar aanviel. Ja, haar zoon Japekoppie heb ik ook wel flink gepest, dat klopt. Maar tegenwoordig ben ik toch niet meer zo fel? Ik kwam er namelijk achter dat het veel leuker is om een goed contact te hebben met mijn buursoortgenoten dan om ze steeds maar de stuipen op het lijf te jagen. Misschien is het de leeftijd, dat zou zomaar kunnen. Maar uw katten zijn nog niet over hun traumaatjes - die ik heb veroorzaakt - heen? Dat spijt me erg. Ik hoop dat u ondanks dat mij toch even wil aaien. Ja, daar heb ik behoefte aan. Weet u dat ik geboren en opgegroeid ben op een boerderij? Ja, daarom eet ik de muizen die ik vang gewoon op. Wat je vangt moet je eten, dat klopt helemaal. Maar weet u ook dat ze eerst dachten dat ik doof was? Ja, ze hadden het bruine vlekje op mijn kop niet gezien. Dat betekent inderdaad dat ik niet doof ben. Helemaal witte katten zijn meestal doof namelijk. En omdat ik niet helemaal wit ben, ben ik dus ook niet doof. Nee hoor, ik hoor alles luid en duidelijk! Wat dat betreft heb ik dus gewoon mazzel gehad. Als u nu nog even in mijn nek kriebelt alstublieft?










Storm:
SSSSttt! Aan niemand vertellen dat ik hier zit! Want dan heb ik hier al die tijd voor niks gezeten. Waarom? Ik lig in een hinderlaag en wacht op een slachtoffer. Ja, plotsklaps er bovenop springen en dan effe flink uithalen. Daar heb ik behoefte aan ja, dat is wat ik regelmatig doe. Ach, ik jaag ook op muizen en markeren vind ik ook wel nuttig, slapen doe ik ook best wel veel en eten natuurlijk ook - al zou je dat niet zeggen. Maar soortgenoten bespringen vanuit een hinderlaag is eigenlijk wel mijn hoofdbezigheid. Het liefst ga ik door tot de plukken in de lucht vliegen. Nee, niet die van mij maar van die ander natuurlijk! Totdat ze gillend de boom invliegen of de straat uitscheuren. Het maakt me niet uit hoe groot ze zijn, mijn tegenstanders. Sommigen zijn wel drie keer zo groot als ik maar worden vanzelf wel heel klein als ik met ze bezig ben geweest hoor! Ja, dat vind ik leuk, mag ik? Maar nu moet u ophoepelen anders verraadt u me nog. En dan heb ik hier dus al die tijd voor niks gezeten.























